PostNL en AH als ‘wijkagent’?

Toch bijzonder te lezen en te horen. Op 8 december 2015 was ik aanwezig bij een bijeenkomst van de Digitale Steden Agenda (DSA), CBS & gemeente Den Haag in Den haag over de bijeenkomst “Samen meten is nog meer weten” Digitale Steden Agenda (DSA), CBS & gemeente Den Haag. Een zeer zinvolle bijeenkomst.

Een van de presentaties werd gegeven door de projectleider van PostNL. Dit bedrijf gaat samen met de Gemeente Schiedam beschadigingen aan het straatmeubilair registeren. Dat is een goede zaak, echter is dat geen burgerverplichting? Voor Smartphones zijn er zelfs app’s zoals ‘BuitenBeter’ waarmee je vervuiling, beschadigingen et cetera aan de gemeente kan doorgeven; ook wanneer je niet weet waar je bent (mooi dat GIS). Het idee van PostNL is deze dienstverlening uit te breiden naar de bewoners en bedrijven. Stapelt de post op bij een oudere; is het slot van een winkel beschadigd; wordt er bij een alcoholist niet opengedaan terwijl een pakketje meerdere keren wordt aangeboden! Een dienstverlening aan de politie? meer ‘sociale ogen’ in de buurt?

Ook Albert Heyn denkt na over dit soort dienstverlening. Bij de kassa wel te verstaan. Vergeetachtige mensen die elke dag een paar pakken koffie komen halen; altijd de portemonnee niet kunnen vinden en denken dat deze gestolen is, uiteraard door de kassamedewerker. Feitelijk een vorm van burgerplicht om op deze mensen te letten, maar hoe ver ga je? Waarom willen deze bedrijven in een gat springen die kennelijk niet door de ‘rest’ van de samenleving wordt opgepakt. Ze willen ergens geld aan verdienen. Hoe grondig gaan ze informatie verzamelen en met wie gaan ze dat delen?

Ik ben een voorstander van sociale controle. Sociale controle maakt een woonomgeving en een bedrijventerrein veiliger; ‘sociale ogen’ wordt dat door sociologen genoemd. Sociale controle klinkt zo negatief niet?

Wanneer commerciële partijen deze taak op zich nemen gaan mijn nekharen overeind staan. De AH’s van deze wereld zijn niet zo ideologisch van aard. De belangrijkste ideologie die zij aanhangen is die van het neoliberalisme: geld verdienen voor de investeerder. Niet mis mee, behalve wanneer het gaat om veiligheid, leefbaarheid en maatschappelijke integriteit! Dat is het veld waar burger, bedrijf en overheid gezamenlijk horen samen te werken. Probleem is echter dat zowel de burger als overheid hier geen oren meer naar hebben. Kijk wat er gebeurd bij de politie: steeds meer in ‘blik’; minder surveilleren op straat. Participatiemaatschappij of zoal in de jaren ’90 in de vorige eeuw: zelfredzaamheid!

Veel kan anders, beter(!) en efficiënter georganiseerd worden. Gemeenten hebben al veel personen professioneel op straat rond wandelen: uiteraard de eigen toezichthouders, de medewerkers van de reiniging en de plantsoenendienst. Wat dacht U van de chauffeurs van de bussen, trams, metro’s en treinen? Beveiligingspersoneel? Zouden de medewerkers van de plantsoenendienst niet weten waar de hangplekken zijn van de jeugd? Volgens mij eerder dan de politie, laat staan de gemeente die er ook wat mee moet, gezien de nieuwe Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning! Tijdens mijn sessies over Big data binnen het veiligheidsdomein – in de gemeente Schiedam vorige jaar hebben we het over dit onderwerp gehad. Kennelijk komen ideeën nooit alleen.

Laten we veiligheid en leefbaarheid aar houden waar het hoort en dat is niet bij een commerciële organisatie!

Meer doen met veiligheidsinformatie en veiligheids- en leefbaarheidsscans of een Veiligheidsbeeldanalyse? Er is een volledige vernieuwde handleiding en mentor beschikbaar!

Leessuggesties:
Cachet, L. and E. v. d. Torre (1994). De hardnekkige mythe van het blik agenten. Tijdschrift voor Criminologie. 4: 301-315.

Kelling, G. L., et al. (1974). The Kansas City preventive patrol experiment : a summary report. Washington, Police Foundation.

Van der Land, M., et al. (2014). Burgers in veiligheid. Een inventarisatie van burgerparticipatie op het domein van de sociale veiligheid. Amsterdam, Vrije Universiteit Amsterdam, Leerstoel Veiligheid en Burgerschap.

Jacobs, J. (2009). Dood en leven van grote Amerikaanse steden. Amsterdam, Sun Trancity.

Lofland, L. H. (1973). A world of strangers : order and action in urban public space. New York, Basic Books.

Lub, V. (2013). Schoon, heel en werkzaam? Een wetenschappelijke beoordeling van sociale interventies op het terrein van buurtleefbaarheid. Den Haag, Boom | Lemma.

Police Foundation (1981). The Newark foot patrol experiment. Washington, D.C. (1909 K St., N.W., Washington 20006), Police Foundation.

Staaij, D. v. d. (2002). Buurtagent bijna niet op straat. AD. Rotterdam.

Advertenties

2015 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In een San Francisco kabelbaan passen 60 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 420 keer bekeken. Als je blog een kabelbaan zou zijn, zou die ongeveer 7 reizen nodig hebben voordat die zoveel mensen zou kunnen vervoeren.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Leegstand Winkelruimte

 

Steeds meer winkelcentra worden geconfronteerd met leegstand. Op de site en in de agenda van Platform31 kwam ik het volgende tegen:

Op donderdag 26 november 2015 van 13.00 tot 17.00 uur organiseert B@S Consultants in het Stadskasteel Oudaen (Oudegracht 99 Utrecht) de RondeT@fel ‘juridische oplossingen voor leegstand winkelruimte’.

In duo presentaties zullen vertegenwoordigers van het Kadaster, de gemeente Oldambt en Platform31 samen met juristen van HYS Legal drie relatief nieuwe instrumenten bespreken en toelichten vanuit praktisch en juridisch perspectief. Het betreft stedelijke herverkaveling, de leegstandverordening, freezones en verlichte regelgeving in winkelgebieden. Direct na elke presentatie is er een verdiepende discussie ronde met de inleiders en de overige aanwezigen. Er wordt afgesloten met een netwerkborrel in het Proeflokaal van Stadskasteel Oudaen.

Winkelleegstand is een zaak van eigenaren, gebruikers en gemeenten. Eigenaren zijn als eersten verantwoordelijk voor het oplossen van winkelleegstand en (potentiële) gebruikers zijn gebaat bij goede oplossingen. In het realiseren van oplossingen is het eigen initiatief van deze marktpartijen van groot belang. Daarbij kunnen gemeenten faciliterend, ondersteunend en toetsend optreden en daarvoor diverse juridische instrumenten inzetten. Naast de al bekende, traditionele aanpak via het grondbeleid (zoals onteigening, voorkeursrecht gemeenten), leegstandbeheer, transformatie, herbestemming en regionale afstemming zijn er diverse ontwikkelingen gaande die uitgaan van de “nieuwe realiteit” en aansluiten bij organische gebiedsontwikkeling en uitnodigingsplanologie.

Voor meer informatie klik hier voor de site van Bas @ Consultants

Had Jane Jacobs gelijk?

Dit is een bewerking van een scriptie van Mark van de Velde uit 2009. Hij studeerde aan de EUR af als socioloog. Hij bestudeerde het werk van Jane Jacobs en projecteerde dat op de stad Rotterdam. Op http://www.markvandevelde.nl/Site/About_Me_files/scriptie_mark_van_de_velde.pdf is het kwantitatieve doch lezenswaardige onderzoek te vinden.

Mijn probleem met het onderzoek is, dat het erg kwantitatief is. Ik trof geen kwalitatieve onderzoeks methodieken aan in het onderzoek. Ervaringen van de buurtbewoners komen alleen naar voren uit grootstedelijke enquêtes. Observaties en interviews met buurtbewoners en betrokkenen zijn niet terug te vinden. Misschien dat deze een ander inzicht hadden verschaft in de resultaten. Kijken hoe mensen leven binnen de eigen buurt is minstens zo belangrijk als het berekenen van correlaties.

Het onderzoek in een notendop:

“De ontwikkeling van de stad fascineert me enorm en daarom behandelt deze site een klassiek boek uit de stedelijke vernieuwing: The Death and Life of Great American City’s.

Veilige en leefbare wijken zijn onderdeel van het huidige maatschappelijke en politieke debat. De onveilige en onleefbare wijken halen vaak het nieuws. Internationaal was er een opleving van de aandacht voor probleemwijken in 2005. In dat jaar braken er in de banlieus van Parijs dagenlang hevige rellen uit (autoverbrandingen, vernielingen, confrontaties tussen jongeren en politie). Kenmerkend voor deze wijken is dat het monotone, eenzijdige wijken zijn met slechts hoogbouwflats, beperkte voorzieningen en bedrijvigheid. Zij worden inmiddels bevolkt door veel immigranten met weinig sociaaleconomische perspectieven. De uitbarstingen waren hevig en gewelddadig. De frustratie bij de vele jonge relschoppers was voelbaar.

De angst zat er in Nederland goed in, men vroeg zich af of dergelijke uitbarstingen ook hier te verwachten zijn. En inderdaad, in 2007 braken er in de wijken Slotervaart te Amsterdam en Ondiep in Utrecht relletjes uit waarbij enkele auto’s in de brand zijn gestoken. Maar zo hevig als in Parijs en Lyon was het in Nederland niet. Deze Nederlandse wijken hebben overigens vergelijkbare kenmerken als de Franse wijken: eenzijdige goedkope woningvoorraad, concentratie van mensen met weinig perspectief, monofunctioneel, weinig economische activiteiten en voorzieningen.

In de jaren zeventig waren het de bewoners die het onderwerp agenderen, anno 2008 is het de politiek. Het nieuwe kabinet Balkenende IV heeft het onderwerp voortvarend opgepakt. Voormalig minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie (PvdA), heeft bij haar aantreden 40 wijken benoemd die in een periode van acht tot tien jaar moeten uitgroeien tot ‘prachtwijken’. Leefbare en veilige wijken zijn een maatschappelijke uitdaging.

De politiek en bewoners zetten tal van sociale, fysieke en economische maatregelen in om de probleemwijken er weer bovenop te helpen. Onder probleemwijken verstaan we wijken waar het perspectief van bewoners laag is, waar een hoge werkloosheid heerst en waar sprake is van onveiligheid en slechte leefomstandigheden.

Hoe wordt een wijk een probleemwijk?

Het boek “The Death and Life of Great American Cities” van Jane Jacobs behandelt een mogelijke oplossingsrichting om probleemwijken aan te pakken. Haar boek wordt door sommigen gezien als het belangrijkste boek dat ooit verscheen over stadsontwikkeling (kei-centrum.nl, pps.org). In architectenwereld wordt daar anders overgedacht, dit terzijde. Jane Jacobs schreef dit imponerende boek over de ‘ideale wijk’ in 1961. Wanneer een wijk is opgebouwd volgens de principes uit de theorie, dan is de kans groot dat deze wijk levendiger en veiliger is dan andere wijken.

De theorie van Jane Jacobs stelt zoveel mogelijk diversiteit centraal, de bebouwde omgeving of de stedenbouwkundige structuur speelt hier een rol in. Haar visie is nog steeds levendig en populair.

Heeft de typologie van een wijk, de stedenbouwkundige structuur en zoveel mogelijk diversiteit invloed op de levendigheid en veiligheid van wijken? Of zijn er andere factoren die hierop invloed hebben? Dit onderzoek gaat op zoek naar de antwoorden op deze vragen.

De steden zijn opgebouwd uit wijken die in verschillende periodes en volgens verschillende stedenbouwkundige visies zijn gebouwd. Er worden een viertal type wijken onderscheiden: de oude vooroorlogse stadswijken, naoorlogse wederopbouw wijken, uitbreidingswijken van de jaren zeventig en de zogenoemde Vinexwijken. De vooroorlogse stadswijken bestaan vooral uit een mix van functies (wonen, werken, recreëren) – ‘functiemenging’ -, terwijl er in de naoorlogse wijken meer sprake van ‘functiescheiding’ is. Dit is het gevolg van verschillende stedenbouwkundige visies op de stad.

Jane Jacobs schreef in 1961 haar invloedrijke klassieker ‘The Death and Life of Great American Cities’ over vitale, leefbare stadswijken. Het werk van Jacobs was een reactie op de destijds heersende doctrines in stadsplanning. Deze visies pleitten voor functiescheiding van wonen en werken; met als gevolg dat nieuwe monofunctionele wijken vooral buiten bestaand stedelijk gebied verrezen volgens o.m. het tuinstadconcept. Jacobs ageerde tegen deze suburbane monofunctionele uitbreidingswijken en hield een pleidooi voor de multifunctionele stadswijk. Ze pleit voor dichtbevolkte wijken met een zo groot mogelijke diversiteit aan mensen, functies en bebouwing. Het is deze diversiteit die de levendigheid, de creativiteit, de veiligheid en de sociale interactie – lees informele sociale controle – bevordert.

Een levendige en veilige wijk voldoet volgens Jacobs aan vier criteria: de wijk heeft ten minste twee primaire functies (denk aan wonen, werken, vermaken, recreëren, sporten), niet te lange bouwblokken (menselijke maat, overzichtelijk), verschillende bouwjaren (bouw diversiteit) en een hoge bevolkingsdichtheid (veel sociale ogen: Lynn Lofland). Jacobs vergat etnische diversiteit (WvE)! Deze diversiteit zorgt voor levendigheid, creativiteit, veiligheid en sociale interactie. Naast levendigheid, sociale cohesie en veiligheid besteedt Jacobs in haar werk aandacht aan economische functies en bedrijvigheid in de wijk. In de huidige discussies over de Nederlandse probleemwijken zijn volgens het ministerie wonen, werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid de belangrijke thema’s (2008).

De socioloog Anton Zijderveld schreef in 1983 de cultuursociolo­gische studie ‘Steden zonder stedelijkheid’. Hij gaat hier in op het -in zijn ogen veronachtzaamde -beleidsprobleem van steden zonder stedelijkheid.

Hij omschrijft vijf kenmerken van het historische verschijnsel stedelijkheid. Zijderveld heeft het eerst over stedelijkheid als een specifieke vorm van solidariteit en een nauw verband tussen private en publieke levenssferen waardoor een concrete sociale structuur ontstaat. Ten derde beschrijft hij dat stedeli­jkheid voor de bourgeoisie een ethos is en daarmee een cultuur of levensstijl. Als vierde kenmerk noemt Zijderveld stedelijkheid kosmopolitisch. Tot slot blijkt stedelijkheid een culturele creatieve kracht die de ontplooiing van wetenschappen en kunsten bevordert. Met de komst van de verzorgingsstaat en de daarmee gepaard gaande rationalisatie verdwijnt stedelijkheid als ethos.

Zijderveld haalt Max Weber aan:

“In termen van wat Weber Wertrationalität noemde is deze stad een zinledig abstractum, waarmee men zich niet meer kan identificeren. Het is geen wonder dat zij een niet gerichte agressie oproept…….De straten verworden dan tot schimmige rijen huizen waar alle leven uit verdreven lijkt.” (Zijderveld, 1983)

Hij keert zich in zijn boek tegen sterke functiescheiding en merkt op dat door dit proces agressie toeneemt en het leven uit de straten verdwijnt. Zijderveld sluit hiermee aan bij Jacobs.

Arnold Reijndorp schrijft in zijn boek Stadswijk, stedenbouw en het dagelijks leven (2004) over de vraag: “Wat hebben stedenbouw en dagelijks leven met elkaar te maken?” Volgens Reijndorp is door inmenging van politieke strategieën het dagelijks leven in de stedenbouwkunde een object van bewerking, in plaats van uitgangspunt voor de vormgeving van de alledaagse omgeving. Reijndorp wil dus het dagelijks leven in de stad sturend laten zijn bij stedenbouwkundige planning. Hiermee sluit hij aan bij het werk van Jacobs die eveneens het dagelijks gebruik van de openbare ruimte centraal stelt bij stadsplanning.

Meer recent is het de Amerikaan Richard Florida die de ideeën van Jacobs met betrekking tot diversiteit, en met name de creativiteit die dat veroorzaakt in de stadswijken, op een voetstuk plaatst. Florida heeft in het begin van de 21e eeuw een ware hype veroorzaakt onder stadsbestuurders rondom het begrip “creative class”. Hij definieert een nieuwe opkomende creatieve klasse. Dit zijn werknemers die in de creatieve en kenniseconomie vooral met hun hersens werken aan nieuwe concepten, ideeën en kennis. Florida beweert dat wanneer je als stad deze groep aan je bindt, economische groei volgt. Een deel van de creatieve klasse (‘the super creative core’) is met name gecharmeerd van de levendige, multi-functionele stadswijken. Dezelfde wijken die Jacobs zo ambieert!

De onderzoeker Montgomery heeft zich uitgebreid verdiept in de vraag waarom het werk van Jacobs nog steeds zo’n succes is. Hij spreekt in zijn artikel ‘Is there still life in The Death and Life?’ van een ‘huge, long-lived publishing succes’. Hij vraagt zich af waarom het boek zo populair is gebleven. Het succes van het boek begint volgens hem bij het feit dat de observaties voornamelijk gebaseerd zijn op ervaringen in New York City. Door in Manhattan over Manhattan te publiceren, was Jacobs al snel geliefd bij de culturele elite van New York. Deze invloedrijke groep drukt een stempel op de nationale cultuur en pers, hierdoor genereerde het boek bij de verschijning enorme positieve nationale media aandacht. Substantiële voorpublicatie in zowel in de vakbladen als in invloedrijke magazines en kranten, leidden ertoe dat het (eerste) boek van Jacobs een prima lancering beleefde. Montgomary concludeert dat het boek van Jacobs een klassieke status heeft verworven.

Uiteraard is er ook kritiek. Ook in Nederland.

De auteur die met wetenschappelijk bewijs iets anders dan Jacobs beweert, is Gabriël van den Brink. Hij schrijft in zijn boek ‘Prachtwijken’ (2008) over de effecten van fysieke, economische, demografische, culturele factoren op veiligheid en leefbaarheid in Nederlandse wijken. In deze studie schrijft Van den Brink dat veel auteurs, beleidsmakers, onderzoekers en bewoners van mening zijn dat de fysieke, ruimtelijke of stedenbouwkundige aspecten van wijken een grote rol spelen als het om veiligheid of leefbaarheid gaat. Uit zijn onderzoek blijkt dit niet het geval te zijn. Het team van Van den Brink onderzocht welke factoren nu daadwerkelijk van invloed zijn op het gevoel van (on)veiligheid. Het bronbestand is een uitgebreide samengestelde dataset met gegevens van alle wijken in Nederland. Van den Brink onderzocht correlaties tussen gevoelens van onveiligheid en een groot aantal variabelen. Van den Brink concludeert allereerst dat wijken waar men over veiligheid klaagt, wijken zijn waar een vorm van wanorde heerst. Sociale overlast en verloedering hebben een redelijk hoge correlatie van respectievelijk r=0,424 en r=0,421. Specifiek aansluitend bij Jacobs concludeert hij: “Het gevoel van onveiligheid neemt af naarmate het gemiddelde huishouden meer personen omvat (r=-0,297).” Deze factor bevestigt het pleidooi voor dichtbevolktheid van Jacobs. Daarentegen is één van zijn andere uitkomsten dat buurten waar onvoldoende winkels, scholen, openbaar vervoer, crèches of medische voorzieningen zijn, niet meer maar juist minder over veiligheid klagen (r=-0,247). Het gemiddelde niveau van basisvoorzieningen heeft helemaal geen invloed (r=0,038). Deze laatste twee uitkomsten beweren het tegengestelde van wat Jacobs stelt als het gaat om primaire functies in wijken.

Volgens Van den Brink blijken bouwkundige en economische aspecten (vrijwel) niet samen te hangen met onveiligheid. Daarnaast stelt hij dat er eveneens geen verband is tussen de onveiligheidsgevoelens van bewoners en de (tekorten aan) plaatselijke voorzieningen. Het gaat bij veiligheid en leefbaarheid niet zozeer om materiële ingrepen, maar vooral om veranderingen op sociaal en cultureel gebied.

De wetenschappers zijn het dus niet met elkaar eens. Daarom is het interessant om haar werk empirisch te toetsen. We zijn benieuwd of de theorie van Jacobs zich in de Rotterdamse situatie staande houdt.

In Rotterdam is het percentage particuliere koopwoningen 30%, dat betekent dat ongeveer 70% van alle woningen vallen onder de gereguleerde sociale sector en de particuliere huurwoningmarkt (COS Rotterdam 2008 Buurtmonitor). In veel andere steden treffen we soortgelijke percentages aan.

In New York ontbreekt een grote sociale huursector. Het proces van gentrification, de statusverhoging en opwaardering van een wijk, start hier vaak met het ontdekken van een wijk door de culturele elite. Dat gebeurt ook in Nederlandse steden. Mooie voorbeelden zijn de wijk De Pijp in Amsterdam en de Kop van Zuid in Rotterdam.

Leefbaarheid en Veiligheid zijn in de loop van de jaren een containerbegrippen geworden. Wat we in ieder geval kunnen vaststellen is dat het gaat over een gevoel van welbevinden, van veiligheid of geborgenheid in de directe leefomgeving. Jacobs spreekt in haar theorie over een gevoel van veiligheid (functiemenging, levendigheid, mensen op straat), maar ook over sociale interactie en het goede gevoel dat mensen daaruit ontlenen.

Leefbaarheid appelleert aan zowel veiligheidsbeleving als algemene tevredenheid in de leefomgeving.

Deze inzichten beschouwende, is de auteur benieuwd of de theorie van Jacobs nog steeds waardevol is. Om dit vraagstuk verder te onderzoeken is data verzameld van 78 Rotterdamse wijken en gemeten in hoeverre deze wijken voldoen aan de criteria die Jacobs stelt. Vervolgens zijn deze scores in een correlatie analyse vergeleken met de scores op veiligheid en leefbaarheid in deze wijken.

Hieruit blijkt dat Rotterdamse wijken die hoger scoren op de jacobs_index slechter scoren op veiligheid (R Sq Linear =0,242) en overlast|criminaliteit (R Sq Linear =0,286). Dit is een tegengestelde uitkomst. Geredeneerd vanuit de theorie van Jacobs, zou je verwachten dat deze wijken juist veiliger en leefbaarder zijn. Na een eerste empirische studie gaan de beweringen van Jacobs dus niet op voor de Rotterdamse situatie.

We kunnen dus stellen dat Jacobs’ theorie twijfelachtig is, wanneer het gaat om het effect van maximale diversiteit op de veiligheid en leefbaarheid in de Rotterdamse wijken.

Uit een kwantitatieve contra-analyse blijkt dat sociale, economische en fysieke factoren de veiligheid in wijken verklaren. De theorie van Jacobs is dus niet bepalend voor de veiligheid van Rotterdamse wijken.

Jacobs pleit voor levendige wijken. Dat zijn wijken die zijn opgebouwd volgens haar principes; zo veel mogelijk diversiteit in functies, mensen en bebouwing. Wanneer we in de Rotterdamse praktijk kijken dan zijn de wijken die voldoen aan haar criteria inderdaad levendig ten opzichte van de vaak (saaie) monotone suburbane woonwijken. Deze levendigheid gaat alleen gepaard met een bepaalde mate van onveiligheid. Op plekken waar voorzieningen en cafés zijn, is bijna automatisch meer sprake van geluidsoverlast, ruzietjes en is er grotere kans op baldadig gedrag door dronkaards. De wijken zijn wel levendig, maar door de ogen bekeken van de meetinstrumenten tegelijkertijd onveiliger.

In de wijken die hoog scoren op de jacobs_index zien we wel een stijgende trend op het gebied van veiligheid. Tegelijkertijd constateren we dat de tevredenheidspercentages in de ‘Jacobs wijken’ bijna net zo hoog zijn als in ‘niet-Jacobs’ wijken (2008, buurtmonitor Rotterdam). Levendige wijken in Rotterdam zijn objectief onveiliger, maar de mensen wonen er met net zo veel plezier.

Niet iedereen is hetzelfde en heeft dezelfde woonwensen. Bewoners zijn tegenwoordig gesegmenteerd in verschillende leefstijlen (Smart Agent, 2008 De Grote Woontest Rotterdam). Bij de ene leefstijl past een levendige, dynamische omgeving en bij de andere past een rustige woonomgeving. Uit De Grote Woontest blijkt dat de oude levendige ‘Jacobs wijken’ in Rotterdam steeds populairder zijn bij bewoners met een zogenaamde rode leefstijl. Deze leefstijl staat voor stedelijk georiënteerde mensen die een druk en actief leven leiden en avontuurlijk zijn ingesteld. Deze mensen houden van de continue levendigheid in de stadswijken en het feit dat ze in de relatieve anonimiteit zichzelf en vrij kunnen zijn.

Dan komen we terug bij de reactie van Montgomary op het werk van Jacobs. Hij stelde dat de theorie eerder een visie is; een manier van naar de maatschappij kijken. Bepaalde groepen houden van een levendige wijk en nemen de feitelijk geconstateerde onveiligheid die daarmee gepaard gaat op de koop toe. Andere groepen hebben een andere belevingswereld en houden van rustige, veilige wijken.

De opwaartse beweging van de Rotterdamse stadswijken past in het beeld van gentrification processen in hedendaagse grote steden. De theorie van Jacobs is daarom nog steeds van belang. Met name mensen die behoren tot de ‘rode leefwereld’ houden van levendige wijken. Stedelijk georiënteerde gezinnen, sociaal stijgende immigranten en terugkerende stedelingen zijn de middengroepen die helpen om de levendige oude stadswijken te revitaliseren.

Gezien het feit dat de woningmarkt in deze wijken in de Rotterdamse situatie niet zo dynamisch is vanwege het vele corporatiebezit, zetten de gentrification processen maar moeizaam door. De auteur hoopt dat de woningcorporaties hun monopolie positie in deze oude stadswijken langzaam loslaten, woningen verkopen en zo meer ruimte te bieden aan de genoemde doelgroepen die hier graag willen wonen.

Het gevolg kan zijn dat deze maatschappelijk succesvollere groepen bijdragen aan een verhoging van de veiligheid in deze wijken. Met als effect dat naast de prettige woonbeleving ook de cijfers op veiligheid en leefbaarheid een stijgende trend laten zien. Wanneer dit proces op grotere schaal op gang komt, dan kan Jane Jacobs over 10 jaar nog wel eens helemaal gelijk krijgen.”

Pleidooi voor meer wetenschappers in het publieke debat rond Amerikaanse President ‘s verkiezingen

Why more scientists are needed in the public square

Janet Napolitano, University of California, Office of the President

In this presidential election season, one thing is certain: candidates will rarely – if ever – be asked what they would do to keep this nation at the forefront of science and innovation.

That’s a shame.

The public dialogue about science is perhaps the most vital and most fraught national conversation not taking place in our country, and the ramifications are profound.

Ultimately, the way we address science and innovation will determine what our children learn in school, what college graduates bring to the larger world, how public lands and natural resources are cared for and whether people receive adequate health care. And the list goes on.

As the president of one of our country’s leading research university systems, I believe it is now incumbent on the academic community to ensure that the work and voices of researchers are front and center in the public square.

Calling all scientists

When the voices of scientists are not heard in the dialogue, there is a price to pay.

A grateful public.
March of Dimes Birth Defects Foundation

As Stanford University’s Charlotte DeCroes Jacobs made clear in her recent excellent biography, Jonas Salk, A Life, the fanfare brought Salk the everlasting disdain of some of his scientific colleagues, but it proved to serve the greater public good.

It is important that scientists be seen as regular people asking and answering important questions.

Our country needs more scientists who are willing and able to step out in the public arena and to weigh in, clearly and strongly – such as atmospheric physicist Veerabhadran Ramanathan of UC San Diego, who discovered the greenhouse effect of halocarbons in 1975.

Dr Ramanathan is a member of the Pontifical Academy of Sciences that influenced Pope Francis to speak out on global climate change.

We need more scientists who can explain what they are doing in language that is compelling and understandable to the public – for example, astrophysicist and Hayden Planetarium Director Neil deGrasse Tyson, whose use of television and social media earned him the US National Academy of Sciences Public Welfare medal this year for “exciting the public about the wonders of science.”

//platform.twitter.com/widgets.js

Those of us in the academic community who are not scientists should also be prepared to support public engagement by scientists, and to incorporate scientific knowledge into our public communications.

I know from conversations I have had with other higher education leaders that I am not the only one who believes this is important.

Understanding mysteries of research

Too many people in this country – and that includes some among our elected leadership – still do not understand how science works or why robust, long-range investments in research vitally matter.

The truth is in the numbers. In the 1960s, the United States devoted nearly 17% of discretionary spending to research and development, reaping decades of economic growth from this sustained investment. By 2008, the figure had fallen into the single digits. This occurs at a time when the private sector has cut back on its research investment and other nations have made significant gains in their own research capabilities.

China, for example, is projected to outspend the United States in research within the next decade. East Asia as a whole already does.

At the University of California, we pride ourselves not only on the quality of our research, but also on its contribution to improving aspects of the world we live in.

It is UC’s research, for example, that has made California among the most robust agricultural regions of the world.

To hasten the development of science from the lab bench to the market place, UC is investing our own money in our own good ideas.

This past summer, we launched the first primeUC competition, which will award US$300,000 to winning start-ups in the health sciences. And last year, our Board of Regents approved the creation of a new $250 million fund, designed to provide seed money for direct investment into student and faculty inventions.

It also is possible to have some fun in demonstrating the broad, societal significance of research.

Introducing Grad Slam

Last May, I had the opportunity to emcee the first-ever University of California system-wide Grad Slam.

The Grad Slam asked UC graduate students to take their years of academic toil and research, and present their work to an audience in just three minutes, free of jargon or technical lingo.

Think of these presentations as TED talks on steroids or the ultimate in elevator speeches. Each of our 10 campuses held a local competition, and the finals took place at our system-wide headquarters in Oakland. Several of those finalists are featured on The Conversation’s website.

While it was a fun event, the purpose was very serious.

Good, sound science depends on hypotheses, experiments and reasoned methodologies. It requires a willingness to ask new questions and try new approaches. It requires one to take risks and experience failures.

But good, sound science also requires clear explanation, succinct presentation and contextual understanding. Telling the story is half the battle, and Grad Slam is perfect practice.

‘An eternal guide to truth’

On the flip side, our country needs more politicians who understand science and recognize it as more than window dressing for photo ops at school science fairs or opportunities to come before the cameras in white lab coats.

Scientists, of course, should not lose their focus on conducting research in the lab or the field, sharing knowledge with their peers, and supervising the postdocs and graduate students who will serve as the scientists of tomorrow.

In today’s world, however, society will benefit from scientists who also are able to raise the profile of science in the public dialogue.

In the rim of the dome of the National Academy of Sciences, there is an inscription that reads:

To science, pilot of industry, conqueror of disease, multiplier of the harvest, explorer of the universe, revealer of nature’s laws, eternal guide to truth.

The nation’s home of science in America.
Another believer, CC BY-SA

This is a fine, noble and trenchant statement of what science is all about. It is a statement that must be made to come alive in the nation’s public conscience, and in the public and political narrative.

For more than 200 years, science and research have been the source of our country’s greatest strengths, and the promise of its bright future.

Now more than ever, it is incumbent on scientists to put their knowledge on the table, and for others in the academic community to support them in that endeavor.

The Conversation

Janet Napolitano, President, University of California, Office of the President

This article was originally published on The Conversation. Read the original article.

Systeemhaat onder jongeren, een inventarisatie en aanzet tot verklaring

Overgenomen van veiligleefbaar.nl


Dit onderzoek vindt plaats in het kader van het actieplan Polarisatie en Radicalisering 2007-2011. Er zijn signalen uit de praktijk dat er een groeiende groep jongeren (15-25 jaar) is, die de overheid wantrouwt en dit uit door zich af te keren van de samenleving of door het vernielen van spullen in de eigen woonomgeving (à la banlieue-problematiek).

In dit onderzoek staat de volgende probleemstelling centraal: Zijn er in Nederland jongeren die zich uit haat tegen ‘het systeem’ radicaal afkeren van alle instituties en maatschappelijke verbanden en, voor zover dit het geval is, hoe valt dit fenomeen met de bestaande historische en sociaalpsychologische kennis te duiden en te verklaren en wat zijn de mogelijke maatschappelijke consequenties van het fenomeen?

Kijk voor de gehele publicatie via deze link: Universiteit Twente/WODC –Systeemhaat onder jongeren

Stadstaat Nederland

De blog van Nico van Buren

 Op de Bund in Shanghai staat een bronzen Mao met zijn overjas over zijn arm naar beneden te kijken. Hij lijkt te waken over de drukke rivier, nog steeds een levensader voor stad en achterland. De vele Chinezen en toeristen aan zijn voeten richten hun ogen vooral naar boven, naar de in enkele decennia uit de grond gestampte hoogbouw van Pudong. Shanghai was altijd al een belangrijke Aziatisch stad, maar met de meer dan 20 miljoen inwoners lijkt de ambitie nu gericht op het wereldtoneel.

Het Nederlandse stedelijke landschap is op geen enkele manier te vergelijken met metropolen als Shanghai, Tokio, New York of Londen. Ook stedelijke regio’s als Boston met kennisdragers MIT en Harvard en Silicon Valley met Stanford en Berkeley hebben een economische schaal die sterk afwijken van de stedelijke regio’s binnen ons land. En toch ligt er ook voor ons land een opgave om in een steeds verder globaliserende wereld de randvoorwaarden en schaal te scheppen om economisch te kunnen blijven concurreren.

Het Nederlandse debat over de stad als aanjager van de economie louter bezien vanuit het perspectief van een enkele stad zou een onderschatting zijn van het belang van schaal. Hoewel stad en regio de eerste linie vormen bij het aanjagen van economische vernieuwing, is er in ons poli-centrische stedelijk gebied door verdere samenwerking binnen en tussen economische clusters en topsectoren winst te boeken. Een op een hoger schaalniveau functionerende arbeidsmarkt is daarbij onontbeerlijk.

Doet de vraag zich dan niet voor wat wij kunnen doen om Nederland te laten functioneren als ware het één stad? De ultieme borrowed size uitdaging. Kunnen wij het organiserend vermogen opbrengen om de binnen steden, regio’s, provincies en rijk aanwezige potentie, kwaliteit en middelen in de volle breedte te verbinden en te benutten?

Als kersverse programmamanager ruimte en economie bij Platform31 is de huidige inhoudelijke opgave van stad, regio en economie al een buitengewoon interessante en reden om hier aan de slag te gaan. Het idee van stadstaat Nederland zal mij echter niet loslaten. Kwestie van stapje voor stapje?

Nico van Buren, Platform31