Had Jane Jacobs gelijk?

Dit is een bewerking van een scriptie van Mark van de Velde uit 2009. Hij studeerde aan de EUR af als socioloog. Hij bestudeerde het werk van Jane Jacobs en projecteerde dat op de stad Rotterdam. Op http://www.markvandevelde.nl/Site/About_Me_files/scriptie_mark_van_de_velde.pdf is het kwantitatieve doch lezenswaardige onderzoek te vinden.

Mijn probleem met het onderzoek is, dat het erg kwantitatief is. Ik trof geen kwalitatieve onderzoeks methodieken aan in het onderzoek. Ervaringen van de buurtbewoners komen alleen naar voren uit grootstedelijke enquêtes. Observaties en interviews met buurtbewoners en betrokkenen zijn niet terug te vinden. Misschien dat deze een ander inzicht hadden verschaft in de resultaten. Kijken hoe mensen leven binnen de eigen buurt is minstens zo belangrijk als het berekenen van correlaties.

Het onderzoek in een notendop:

“De ontwikkeling van de stad fascineert me enorm en daarom behandelt deze site een klassiek boek uit de stedelijke vernieuwing: The Death and Life of Great American City’s.

Veilige en leefbare wijken zijn onderdeel van het huidige maatschappelijke en politieke debat. De onveilige en onleefbare wijken halen vaak het nieuws. Internationaal was er een opleving van de aandacht voor probleemwijken in 2005. In dat jaar braken er in de banlieus van Parijs dagenlang hevige rellen uit (autoverbrandingen, vernielingen, confrontaties tussen jongeren en politie). Kenmerkend voor deze wijken is dat het monotone, eenzijdige wijken zijn met slechts hoogbouwflats, beperkte voorzieningen en bedrijvigheid. Zij worden inmiddels bevolkt door veel immigranten met weinig sociaaleconomische perspectieven. De uitbarstingen waren hevig en gewelddadig. De frustratie bij de vele jonge relschoppers was voelbaar.

De angst zat er in Nederland goed in, men vroeg zich af of dergelijke uitbarstingen ook hier te verwachten zijn. En inderdaad, in 2007 braken er in de wijken Slotervaart te Amsterdam en Ondiep in Utrecht relletjes uit waarbij enkele auto’s in de brand zijn gestoken. Maar zo hevig als in Parijs en Lyon was het in Nederland niet. Deze Nederlandse wijken hebben overigens vergelijkbare kenmerken als de Franse wijken: eenzijdige goedkope woningvoorraad, concentratie van mensen met weinig perspectief, monofunctioneel, weinig economische activiteiten en voorzieningen.

In de jaren zeventig waren het de bewoners die het onderwerp agenderen, anno 2008 is het de politiek. Het nieuwe kabinet Balkenende IV heeft het onderwerp voortvarend opgepakt. Voormalig minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie (PvdA), heeft bij haar aantreden 40 wijken benoemd die in een periode van acht tot tien jaar moeten uitgroeien tot ‘prachtwijken’. Leefbare en veilige wijken zijn een maatschappelijke uitdaging.

De politiek en bewoners zetten tal van sociale, fysieke en economische maatregelen in om de probleemwijken er weer bovenop te helpen. Onder probleemwijken verstaan we wijken waar het perspectief van bewoners laag is, waar een hoge werkloosheid heerst en waar sprake is van onveiligheid en slechte leefomstandigheden.

Hoe wordt een wijk een probleemwijk?

Het boek “The Death and Life of Great American Cities” van Jane Jacobs behandelt een mogelijke oplossingsrichting om probleemwijken aan te pakken. Haar boek wordt door sommigen gezien als het belangrijkste boek dat ooit verscheen over stadsontwikkeling (kei-centrum.nl, pps.org). In architectenwereld wordt daar anders overgedacht, dit terzijde. Jane Jacobs schreef dit imponerende boek over de ‘ideale wijk’ in 1961. Wanneer een wijk is opgebouwd volgens de principes uit de theorie, dan is de kans groot dat deze wijk levendiger en veiliger is dan andere wijken.

De theorie van Jane Jacobs stelt zoveel mogelijk diversiteit centraal, de bebouwde omgeving of de stedenbouwkundige structuur speelt hier een rol in. Haar visie is nog steeds levendig en populair.

Heeft de typologie van een wijk, de stedenbouwkundige structuur en zoveel mogelijk diversiteit invloed op de levendigheid en veiligheid van wijken? Of zijn er andere factoren die hierop invloed hebben? Dit onderzoek gaat op zoek naar de antwoorden op deze vragen.

De steden zijn opgebouwd uit wijken die in verschillende periodes en volgens verschillende stedenbouwkundige visies zijn gebouwd. Er worden een viertal type wijken onderscheiden: de oude vooroorlogse stadswijken, naoorlogse wederopbouw wijken, uitbreidingswijken van de jaren zeventig en de zogenoemde Vinexwijken. De vooroorlogse stadswijken bestaan vooral uit een mix van functies (wonen, werken, recreëren) – ‘functiemenging’ -, terwijl er in de naoorlogse wijken meer sprake van ‘functiescheiding’ is. Dit is het gevolg van verschillende stedenbouwkundige visies op de stad.

Jane Jacobs schreef in 1961 haar invloedrijke klassieker ‘The Death and Life of Great American Cities’ over vitale, leefbare stadswijken. Het werk van Jacobs was een reactie op de destijds heersende doctrines in stadsplanning. Deze visies pleitten voor functiescheiding van wonen en werken; met als gevolg dat nieuwe monofunctionele wijken vooral buiten bestaand stedelijk gebied verrezen volgens o.m. het tuinstadconcept. Jacobs ageerde tegen deze suburbane monofunctionele uitbreidingswijken en hield een pleidooi voor de multifunctionele stadswijk. Ze pleit voor dichtbevolkte wijken met een zo groot mogelijke diversiteit aan mensen, functies en bebouwing. Het is deze diversiteit die de levendigheid, de creativiteit, de veiligheid en de sociale interactie – lees informele sociale controle – bevordert.

Een levendige en veilige wijk voldoet volgens Jacobs aan vier criteria: de wijk heeft ten minste twee primaire functies (denk aan wonen, werken, vermaken, recreëren, sporten), niet te lange bouwblokken (menselijke maat, overzichtelijk), verschillende bouwjaren (bouw diversiteit) en een hoge bevolkingsdichtheid (veel sociale ogen: Lynn Lofland). Jacobs vergat etnische diversiteit (WvE)! Deze diversiteit zorgt voor levendigheid, creativiteit, veiligheid en sociale interactie. Naast levendigheid, sociale cohesie en veiligheid besteedt Jacobs in haar werk aandacht aan economische functies en bedrijvigheid in de wijk. In de huidige discussies over de Nederlandse probleemwijken zijn volgens het ministerie wonen, werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid de belangrijke thema’s (2008).

De socioloog Anton Zijderveld schreef in 1983 de cultuursociolo­gische studie ‘Steden zonder stedelijkheid’. Hij gaat hier in op het -in zijn ogen veronachtzaamde -beleidsprobleem van steden zonder stedelijkheid.

Hij omschrijft vijf kenmerken van het historische verschijnsel stedelijkheid. Zijderveld heeft het eerst over stedelijkheid als een specifieke vorm van solidariteit en een nauw verband tussen private en publieke levenssferen waardoor een concrete sociale structuur ontstaat. Ten derde beschrijft hij dat stedeli­jkheid voor de bourgeoisie een ethos is en daarmee een cultuur of levensstijl. Als vierde kenmerk noemt Zijderveld stedelijkheid kosmopolitisch. Tot slot blijkt stedelijkheid een culturele creatieve kracht die de ontplooiing van wetenschappen en kunsten bevordert. Met de komst van de verzorgingsstaat en de daarmee gepaard gaande rationalisatie verdwijnt stedelijkheid als ethos.

Zijderveld haalt Max Weber aan:

“In termen van wat Weber Wertrationalität noemde is deze stad een zinledig abstractum, waarmee men zich niet meer kan identificeren. Het is geen wonder dat zij een niet gerichte agressie oproept…….De straten verworden dan tot schimmige rijen huizen waar alle leven uit verdreven lijkt.” (Zijderveld, 1983)

Hij keert zich in zijn boek tegen sterke functiescheiding en merkt op dat door dit proces agressie toeneemt en het leven uit de straten verdwijnt. Zijderveld sluit hiermee aan bij Jacobs.

Arnold Reijndorp schrijft in zijn boek Stadswijk, stedenbouw en het dagelijks leven (2004) over de vraag: “Wat hebben stedenbouw en dagelijks leven met elkaar te maken?” Volgens Reijndorp is door inmenging van politieke strategieën het dagelijks leven in de stedenbouwkunde een object van bewerking, in plaats van uitgangspunt voor de vormgeving van de alledaagse omgeving. Reijndorp wil dus het dagelijks leven in de stad sturend laten zijn bij stedenbouwkundige planning. Hiermee sluit hij aan bij het werk van Jacobs die eveneens het dagelijks gebruik van de openbare ruimte centraal stelt bij stadsplanning.

Meer recent is het de Amerikaan Richard Florida die de ideeën van Jacobs met betrekking tot diversiteit, en met name de creativiteit die dat veroorzaakt in de stadswijken, op een voetstuk plaatst. Florida heeft in het begin van de 21e eeuw een ware hype veroorzaakt onder stadsbestuurders rondom het begrip “creative class”. Hij definieert een nieuwe opkomende creatieve klasse. Dit zijn werknemers die in de creatieve en kenniseconomie vooral met hun hersens werken aan nieuwe concepten, ideeën en kennis. Florida beweert dat wanneer je als stad deze groep aan je bindt, economische groei volgt. Een deel van de creatieve klasse (‘the super creative core’) is met name gecharmeerd van de levendige, multi-functionele stadswijken. Dezelfde wijken die Jacobs zo ambieert!

De onderzoeker Montgomery heeft zich uitgebreid verdiept in de vraag waarom het werk van Jacobs nog steeds zo’n succes is. Hij spreekt in zijn artikel ‘Is there still life in The Death and Life?’ van een ‘huge, long-lived publishing succes’. Hij vraagt zich af waarom het boek zo populair is gebleven. Het succes van het boek begint volgens hem bij het feit dat de observaties voornamelijk gebaseerd zijn op ervaringen in New York City. Door in Manhattan over Manhattan te publiceren, was Jacobs al snel geliefd bij de culturele elite van New York. Deze invloedrijke groep drukt een stempel op de nationale cultuur en pers, hierdoor genereerde het boek bij de verschijning enorme positieve nationale media aandacht. Substantiële voorpublicatie in zowel in de vakbladen als in invloedrijke magazines en kranten, leidden ertoe dat het (eerste) boek van Jacobs een prima lancering beleefde. Montgomary concludeert dat het boek van Jacobs een klassieke status heeft verworven.

Uiteraard is er ook kritiek. Ook in Nederland.

De auteur die met wetenschappelijk bewijs iets anders dan Jacobs beweert, is Gabriël van den Brink. Hij schrijft in zijn boek ‘Prachtwijken’ (2008) over de effecten van fysieke, economische, demografische, culturele factoren op veiligheid en leefbaarheid in Nederlandse wijken. In deze studie schrijft Van den Brink dat veel auteurs, beleidsmakers, onderzoekers en bewoners van mening zijn dat de fysieke, ruimtelijke of stedenbouwkundige aspecten van wijken een grote rol spelen als het om veiligheid of leefbaarheid gaat. Uit zijn onderzoek blijkt dit niet het geval te zijn. Het team van Van den Brink onderzocht welke factoren nu daadwerkelijk van invloed zijn op het gevoel van (on)veiligheid. Het bronbestand is een uitgebreide samengestelde dataset met gegevens van alle wijken in Nederland. Van den Brink onderzocht correlaties tussen gevoelens van onveiligheid en een groot aantal variabelen. Van den Brink concludeert allereerst dat wijken waar men over veiligheid klaagt, wijken zijn waar een vorm van wanorde heerst. Sociale overlast en verloedering hebben een redelijk hoge correlatie van respectievelijk r=0,424 en r=0,421. Specifiek aansluitend bij Jacobs concludeert hij: “Het gevoel van onveiligheid neemt af naarmate het gemiddelde huishouden meer personen omvat (r=-0,297).” Deze factor bevestigt het pleidooi voor dichtbevolktheid van Jacobs. Daarentegen is één van zijn andere uitkomsten dat buurten waar onvoldoende winkels, scholen, openbaar vervoer, crèches of medische voorzieningen zijn, niet meer maar juist minder over veiligheid klagen (r=-0,247). Het gemiddelde niveau van basisvoorzieningen heeft helemaal geen invloed (r=0,038). Deze laatste twee uitkomsten beweren het tegengestelde van wat Jacobs stelt als het gaat om primaire functies in wijken.

Volgens Van den Brink blijken bouwkundige en economische aspecten (vrijwel) niet samen te hangen met onveiligheid. Daarnaast stelt hij dat er eveneens geen verband is tussen de onveiligheidsgevoelens van bewoners en de (tekorten aan) plaatselijke voorzieningen. Het gaat bij veiligheid en leefbaarheid niet zozeer om materiële ingrepen, maar vooral om veranderingen op sociaal en cultureel gebied.

De wetenschappers zijn het dus niet met elkaar eens. Daarom is het interessant om haar werk empirisch te toetsen. We zijn benieuwd of de theorie van Jacobs zich in de Rotterdamse situatie staande houdt.

In Rotterdam is het percentage particuliere koopwoningen 30%, dat betekent dat ongeveer 70% van alle woningen vallen onder de gereguleerde sociale sector en de particuliere huurwoningmarkt (COS Rotterdam 2008 Buurtmonitor). In veel andere steden treffen we soortgelijke percentages aan.

In New York ontbreekt een grote sociale huursector. Het proces van gentrification, de statusverhoging en opwaardering van een wijk, start hier vaak met het ontdekken van een wijk door de culturele elite. Dat gebeurt ook in Nederlandse steden. Mooie voorbeelden zijn de wijk De Pijp in Amsterdam en de Kop van Zuid in Rotterdam.

Leefbaarheid en Veiligheid zijn in de loop van de jaren een containerbegrippen geworden. Wat we in ieder geval kunnen vaststellen is dat het gaat over een gevoel van welbevinden, van veiligheid of geborgenheid in de directe leefomgeving. Jacobs spreekt in haar theorie over een gevoel van veiligheid (functiemenging, levendigheid, mensen op straat), maar ook over sociale interactie en het goede gevoel dat mensen daaruit ontlenen.

Leefbaarheid appelleert aan zowel veiligheidsbeleving als algemene tevredenheid in de leefomgeving.

Deze inzichten beschouwende, is de auteur benieuwd of de theorie van Jacobs nog steeds waardevol is. Om dit vraagstuk verder te onderzoeken is data verzameld van 78 Rotterdamse wijken en gemeten in hoeverre deze wijken voldoen aan de criteria die Jacobs stelt. Vervolgens zijn deze scores in een correlatie analyse vergeleken met de scores op veiligheid en leefbaarheid in deze wijken.

Hieruit blijkt dat Rotterdamse wijken die hoger scoren op de jacobs_index slechter scoren op veiligheid (R Sq Linear =0,242) en overlast|criminaliteit (R Sq Linear =0,286). Dit is een tegengestelde uitkomst. Geredeneerd vanuit de theorie van Jacobs, zou je verwachten dat deze wijken juist veiliger en leefbaarder zijn. Na een eerste empirische studie gaan de beweringen van Jacobs dus niet op voor de Rotterdamse situatie.

We kunnen dus stellen dat Jacobs’ theorie twijfelachtig is, wanneer het gaat om het effect van maximale diversiteit op de veiligheid en leefbaarheid in de Rotterdamse wijken.

Uit een kwantitatieve contra-analyse blijkt dat sociale, economische en fysieke factoren de veiligheid in wijken verklaren. De theorie van Jacobs is dus niet bepalend voor de veiligheid van Rotterdamse wijken.

Jacobs pleit voor levendige wijken. Dat zijn wijken die zijn opgebouwd volgens haar principes; zo veel mogelijk diversiteit in functies, mensen en bebouwing. Wanneer we in de Rotterdamse praktijk kijken dan zijn de wijken die voldoen aan haar criteria inderdaad levendig ten opzichte van de vaak (saaie) monotone suburbane woonwijken. Deze levendigheid gaat alleen gepaard met een bepaalde mate van onveiligheid. Op plekken waar voorzieningen en cafés zijn, is bijna automatisch meer sprake van geluidsoverlast, ruzietjes en is er grotere kans op baldadig gedrag door dronkaards. De wijken zijn wel levendig, maar door de ogen bekeken van de meetinstrumenten tegelijkertijd onveiliger.

In de wijken die hoog scoren op de jacobs_index zien we wel een stijgende trend op het gebied van veiligheid. Tegelijkertijd constateren we dat de tevredenheidspercentages in de ‘Jacobs wijken’ bijna net zo hoog zijn als in ‘niet-Jacobs’ wijken (2008, buurtmonitor Rotterdam). Levendige wijken in Rotterdam zijn objectief onveiliger, maar de mensen wonen er met net zo veel plezier.

Niet iedereen is hetzelfde en heeft dezelfde woonwensen. Bewoners zijn tegenwoordig gesegmenteerd in verschillende leefstijlen (Smart Agent, 2008 De Grote Woontest Rotterdam). Bij de ene leefstijl past een levendige, dynamische omgeving en bij de andere past een rustige woonomgeving. Uit De Grote Woontest blijkt dat de oude levendige ‘Jacobs wijken’ in Rotterdam steeds populairder zijn bij bewoners met een zogenaamde rode leefstijl. Deze leefstijl staat voor stedelijk georiënteerde mensen die een druk en actief leven leiden en avontuurlijk zijn ingesteld. Deze mensen houden van de continue levendigheid in de stadswijken en het feit dat ze in de relatieve anonimiteit zichzelf en vrij kunnen zijn.

Dan komen we terug bij de reactie van Montgomary op het werk van Jacobs. Hij stelde dat de theorie eerder een visie is; een manier van naar de maatschappij kijken. Bepaalde groepen houden van een levendige wijk en nemen de feitelijk geconstateerde onveiligheid die daarmee gepaard gaat op de koop toe. Andere groepen hebben een andere belevingswereld en houden van rustige, veilige wijken.

De opwaartse beweging van de Rotterdamse stadswijken past in het beeld van gentrification processen in hedendaagse grote steden. De theorie van Jacobs is daarom nog steeds van belang. Met name mensen die behoren tot de ‘rode leefwereld’ houden van levendige wijken. Stedelijk georiënteerde gezinnen, sociaal stijgende immigranten en terugkerende stedelingen zijn de middengroepen die helpen om de levendige oude stadswijken te revitaliseren.

Gezien het feit dat de woningmarkt in deze wijken in de Rotterdamse situatie niet zo dynamisch is vanwege het vele corporatiebezit, zetten de gentrification processen maar moeizaam door. De auteur hoopt dat de woningcorporaties hun monopolie positie in deze oude stadswijken langzaam loslaten, woningen verkopen en zo meer ruimte te bieden aan de genoemde doelgroepen die hier graag willen wonen.

Het gevolg kan zijn dat deze maatschappelijk succesvollere groepen bijdragen aan een verhoging van de veiligheid in deze wijken. Met als effect dat naast de prettige woonbeleving ook de cijfers op veiligheid en leefbaarheid een stijgende trend laten zien. Wanneer dit proces op grotere schaal op gang komt, dan kan Jane Jacobs over 10 jaar nog wel eens helemaal gelijk krijgen.”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s